Bijzondere aandacht schonk men aan de evenwichtstoestand van het anker, een probleem dat zich bij andere gangsystemen niet voordeed. Het anker is pas in evenwicht als zijn zwaartepunt in het draaipunt ligt. Als dat niet het geval was, zouden sommige delen van het anker zwaarder zijn dan andere. Door het ongelijke gewicht in verschillende plaatsen van het uurwerk zou er dan meer kracht moeten worden uitgeoefend om het zware deel op te heffen. Het gevolg hiervan zou een onregelmatige krachtoverdracht zijn met nadelige effecten op de schommelingen van de balans. Alleen wanneer het zwaartepunt van het anker in zijn draaipunt ligt zijn al zijn onderdelen even zwaar. Pas dan kunnen ze met eenzelfde kracht bewogen worden en reageren ze neutraal op schokken. Deze evenwichtstoestand kan men bijvoorbeeld bereiken als men het anker over zijn draaipunt heen langer maakt, van een compensatiegewicht voorziet en het laat uitlopen in een vork waarvan de tanden aan beide zijden van de gangradas liggen. Hierdoor worden de begrenzingsstiften overbodig, want de gangradas neemt hun functie over.
Volgens dit systeem werkten o.a. de ankergangen van Breguet en Mairet. Bij de kolftandige ankergang (zie tekening), eveneens een vrije balansgang, komen uit het vlak van het anker naar boven stekende ‘kolftanden’ in de plaats van de anker klauwen. Dit systeem werd voor het eerst door Louis Perron (1779-1836) uit Besançori toegepast, die de hele heffing op de gangradtanden legde. Deze waren aan de zijkanten zo gesneden dat hun trekhoeken het anker tegen de begrenzingsstiften drukten.